de en ISA 9 Logo

Hoe moet je de gegevens lezen?

De groei van het aantal eerstejaarsstudenten, geslaagden en de werkenden en de informatie over de leeftijdsopbouw van de werkenden in verschillende beroepssectoren laten in perspectief zien hoe de toekomstige situatie van hen zou zijn die nu voor een studie kiezen. Met het oog op de latere situatie op de arbeidsmarkt kunnen deze cijfers zeker niet te toekomst vorspellen. De arbeidmarkt is inmiddels zo dynamisch dat het bijna onmogelijk is trefzekere prognoses te maken of zelfs maar adviezen te geven. En wat voor de privésector geldt is in toenemende mate ook van toepassing op de arbeidsmarkt van de overheid.

Toch kunnen de in ISA verzamelde basisgegevens de grondslag leggen voor een goede oriëntatie. Bovendien geven ze de lezers een begrip van de omvang van enkele studierichtingen en de arbeidsmarktsegmenten. Als je kritisch naar deze gegevens kijkt, kun je zeer wel besluiten anticyclisch te gaan studeren, dat wil zeggen tegen de algemene trend in voor een bepaalde studie kiezen. Maar hoe moet je de gegevens nu lezen?

Er is een verband tussen de aantallen eerstejaarsstudenten en afgestudeerden en de gemiddelde studieduur. Bij een gemiddelde studieduur van bijvoorbeeld 10 semesters is het aantal eerstejaarsstudenten van het jaar 1993 een gegeven voor het aantal geslaagden in 1998. Dit is een belangrijke samenhang. Meerdere gegevens vormen samen een beeld van het studiesucces. Het quotum geslaagden is in eerste instantie een waarde die iets zegt over hoeveel beginners bepaalde opleidingen afronden. Als je rekening zou houden met zij-instromers (studenten die in een later semester van opleiding wisselen) kan het quotum geslaagden soms iets lager zijn. Op basis van het huidige aantal eerstejaarsstudenten zou je met behulp van het quotum geslaagden het toekomstige aantal afgestudeerden kunnen inschatten.

Het aantal werkenden met een bepaald wo-/hbo-diploma zegt iets over hoeveel van die mensen aan de slag zijn gekomen. Maar je moet wel opletten: Er wordt niet gekeken naar specifieke bedrijfstakken. Zo kan bijvoorbeeld iemand met een wo-diploma scheikunde in de chemische industrie werken, maar ook als bedrijfsadviseur ergens anders.

Het is heel belangrijk niet te vergeten dat het aantal geslaagden met wo-/hbo-diploma, dat sinds 1985 in dienst is genomen, veel groter is dan uit de desbetreffende diagrammen lijkt. De toename in deze diagrammen wordt alleen bepaald door de aanvullende banen (uitbreiding van de banen). Maar een grote hoeveelheid van de in 1985 werkenden is inmiddels met pensioen, arbeidsongeschikt of om andere redenen niet meer werkzaam. Hun plaats is wel door jongere academici ingenomen (vervanging).

Van alle in 1985 werkenden academici heeft misschien de helft nog een betrekking. De anderen zijn op leeftijdsgronden niet meer beschikbaar voor de arbeidsmarkt.

Als arbeidsmarktsegmenten tamelijk homogeen zijn (bv. onderwijs of geneeskunde) is de speciale leeftijdsstructuur van betekenis. Deze kan prognoses geven over de grootte van de toekomstige vervangingsvraag.